Rashid Novaire: ‘Als schrijver behoudt je je autonomie’

26 november 2015

5500fa98ca8727.57419410

Rashid Novaire (1979) heeft verschillende romans op zijn naam staan, waaronder Het lied van de rog (2007) en Afkomst (2008). Hij won daarmee verschillende prijzen en stond op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. Zeg maar dat we niet thuis zijn kwam dit jaar bij uitgeverij Ambo|Anthos uit.

Hoe ben je ooit begonnen met schrijven?
‘Ik was 19 toen ik van school af kwam en mijn debuut, verhalen die ik tijdens de middelbare school had geschreven uitkwam. Daarmee ontving ik toen een nominatie voor de Cultuurprijs. Ik had altijd al een groot verlangen om te verhalen en toen ineens was ik schrijver. Toen kreeg ik een telefoontje uit Duitsland of ik als schrijver op residentie wilde in een Wasserschloss in Bamberg. Ik had geen idee wat dat was, het bleek een kasteel aan het water, maar ik ging wel!’

Vond je het schrijverschap eenzaam op zo jonge leeftijd?
‘Ik heb gemerkt dat ik mijn schrijfbureau over de hele wereld kan plaatsen, en dat was toen ook al zo. Dus ik had daar niet zo’n last van. Je zal je altijd terugtrekken, dat is eigen aan je natuur als maker. Ik heb geschreven aan de baai van Taiwan, in China, in de regenwouden van Suriname, in een kleine stad in Marokko bij mijn neef op de legerbasis. Je behoudt altijd je autonomie omdát je schrijft. Dat was toen ook al zo, toen ik in een hele kleine gemeenschap zat in Bamberg. Het hielp mij ook weer Nederland te waarderen. Voor mij is altijd het verplaatsen ook een aanscherping van de liefde voor Nederland. Wie reist is altijd thuis.’

Hoe ziet een schrijf-dag er voor jou uit?
‘Ik schrijf elke dag thuis, aan mijn bureau. Het liefst tussen kantoortijden, van 9 tot 5. ‘s Ochtends verdiep ik me in onderwerpen waar ik op dat moment mee bezig ben, dan lees ik literatuur. ‘s Middags schrijf ik scènes en verdiep ik me in de structuur van de roman die ik schrijf. Ik plan mijn dagen heel nauwgezet van tevoren, ik ga eigenlijk altijd hetzelfde te werk. Maar elk werkproces is anders: het ene is meer alsof je een kop uit steen moet hakken, terwijl het andere meer een montage is. Bij mijn eerste roman was het alsof ik over een koord liep, waarbij ik heel goed moest balanceren en heel blij was dat ik aan de overkant aankwam. Soms ben je ook met een onderwerp bezig, zoals in Zeg maar dat we niet thuis zijn, dat gaat over een dode vluchteling, waarbij je geconfronteerd wordt met de actualiteit die daarom draait. Terwijl dat nooit je bedoeling was.’

Hoe kwam je bij het idee voor Zeg maar dat we niet thuis zijn?
‘Mijn roman was al af op het moment dat er sprake was van de vluchtelingenstroom zoals nu. Het was iemand uit mijn omgeving die mij vertelde dat zijn vader als vluchteling gelogen had tegen de IND en nu de gegevens niet meer klopten op zijn paspoort. Daardoor ben ik op het spoor gezet. Dit verhaal vroeg om een pure vertelling, met een focus als op een podium. Dat gevoel, daar begon ik mee te schrijven. Alsof je een podium met coulissen had, en op het laatste moment was er alleen nog maar die huiskamer in Diemen Zuid en verplaatst die hele familiegeschiedenis naar schaduwen van de coulissen.’

Er zitten veel sterke dialogen in je roman, zou je ook verder willen met film, theater en scenarioschrijven?
‘Ik heb een tijd scenario bestudeerd, ik wilde altijd al verder met film en theater. Via scenario’s kwam ik toen bij het echte dialogen schrijven terecht. Dat is voor mij een manier om de emoties die ik wil beschrijven concreet te krijgen. Gisteren wilde ik beschrijven hoe er tussen een ontmoeting van een man en vrouw vanaf het begin een onderdrukkende dynamiek is, maar hoe doe je dat? Dan heb je dat ene dialoog nodig waarin duidelijk wordt dat de een de ander wil vernietigen.’

Hoe kwam je erbij om vanuit het perspectief van de uitvaartondernemer te schrijven?
‘Er is veel mededogen vanuit de uitvaartbegeleider Milan den Hartog voor het gezin, en vervolgens wordt die heel welwillende Nederlandse man geconfronteerd met zoveel emoties, zoveel bureaucratie. Daar ben ik toen dieper ingedoken door mee te lopen met een groot uitvaartbedrijf. Zij hebben een hele zakelijke manier van omgang. Ze drukken zich ook formeel uit, waardoor het soms kortsluiting oplevert met mensen van een andere cultuur die dat niet gewend zijn. Zeker als het gaat om zoiets ontwrichtend als de dood. En al helemaal de plotselinge dood.’

Had je al directe ervaring met uitvaartbegeleiders?
‘Mijn ervaringen beperken zich tot de herinneringen aan mijn eigen familie. Op de begrafenis van mijn opa werd mijn oma gevraagd wat voor muziek hij op zijn uitvaart wilde. Omdat niemand het wist, werd de standaardmuziek van de uitvaartondernemer gedraaid. Dat is voor mij een hele sterke herinnering, want zo word je eigenlijk geconfronteerd met hoe snel je een tekort aan kennis hebt over de overledene. Dan moet je al snel terugvallen op de standaard en gaan mensen daarin gauw fictionaliseren, dat opa altijd heel erg van muziek hield. Maar dat was niet zo, opa draaide nooit muziek. Dan is de roman eigenlijk al begonnen op het moment dat iemand overleden is. Zo werkt schrijven ook: je dicht een personage eigenschappen toe.’

Heb je eigenschappen van jezelf zelf ook aan het personage van Milan den Hartog toegedicht?
‘In zekere zin wel. Milan den Hartog ziet eruit als een Nederlander, maar toch heeft hij een andere achtergrond. Het is soms heel vervelend als anderen voor jou je achtergrond of afkomst relativeren. In het jubileumboek van de uitgeverij kreeg ik bijvoorbeeld toegeschreven dat ik een vierde generatie migrantenauteur was. Mijn ouders zijn geen schrijvers en ik ben geen migrant, dus hoe kan ik dat dan zijn? Op dat moment wordt het een soort catch 22, je komt er niet meer uit en eigenlijk kom je er ook niet meer in.’

Speelt je familiegeschiedenis daarin ook een rol?
‘Ik krijg steeds meer fascinatie voor Nederland, en hoe het zich moet verhouden tot de elementen die hier zijn. Daarin ben ik natuurlijk ook een voorbeeld, omdat ik Nederlands ben en tegelijkertijd heel veel verschillende achtergronden heb in mijn familiegeschiedenis. Dit heeft mij gestimuleerd om bepaalde onderwerpen in te duiken. Mijn roman Afkomst gaat hierover: mijn oma is geboren in Duitsland van Poolse ouders, in een gebied dat tot na de Eerste Wereldoorlog ook Duits was. Ze zijn uiteindelijk in de oorlog voor een deel de verkeerde kant op gegaan, omdat ze Duitser wilden zijn dan de Duitsers. Mijn oma emigreerde net voor de Tweede Wereldoorlog uit Nazi-Duitsland naar Nederland en viel daardoor opnieuw buiten die veilige kaders. Vervolgens kreeg haar dochter een kind met een buitenlandse man en zo werd mijn moeder voor haar weer een conflict. Ik denk dat het de taak van schrijver is om iets daarvan te kunnen relativeren.’

Bedenk je voordat je gaat schrijven hoe de roman in elkaar zit?
‘Ik wist al van tevoren dat de stem van de dode immigrant centraal zou staan, eigenlijk vanaf het begin al. Dat drong zich aan mij op: ‘Goedemorgen Nederland. Ik ben net op u overleden, maar wil niet in u begraven worden.’ Daarbinnen was een vorm van onthechting die heel veel mogelijkheden bood, omdat die zich niet kan onttrekken aan bureaucratie nadat je dood bent. Wat is eigen grond? Wat is thuis? Het is heel schrijnend als je uit een ander gebied komt, en niet de vrijheid voelt om te zeggen dat je je in Nederland thuis voelt. Of dat Nederland zelfs de voorkeur zou hebben als het gaat om het begraven van je vader. Dat gegeven fascineerde mij: daarom ook de titel Zeg maar dat we niet thuis zijn. Dat impliceert al dat je je meer thuis voelt dan je zou mogen laten merken.’

Moest je veel research doen voor Zeg maar dat we niet thuis zijn?
‘Ik ging uit van de vijf dagen, met het begin dat hij wordt ontslagen uit het mortuarium en op de vijfde dag wordt gecremeerd. Wat dus echt een doodzonde is binnen de islam. Dat heeft zich gemengd met mijn eigen jeugdervaringen, en de ervaringen die ik op heb gedaan toen ik meeliep met de uitvaartbegeleider. Ook het jargon. Er was een moment dat hij vertelde dat hij de maten van het graf niet had opgeschreven, en dat er een kist was van een man van twee meter. Die kwam rechtop in de aarde te staan, drama. Dat zijn de geschenken die je krijgt. Hele mooie beelden. Zoals hij hierover vertelde kreeg ik ook het hele alledaagse mee van de uitvaartondernemer. Ook tijdens het wassen van de doden vraag je of iemand een fijn weekend heeft gehad.’

Ben je al bezig met het schrijven aan je volgende roman?
Zeg maar dat we niet thuis zijn is nu twee maanden uit en ik ben nu sinds een maand goed op dreef met mijn nieuwe boek. Het is niet zo dat je meteen weer in een proces zit dat ergens naartoe lijkt te gaan, maar het is ook niet zo dat ik niet schrijf. Mijn nieuwe roman gaat over een sigarenboer in Utrecht en de geschiedenis daaromheen.’

In Zeg maar dat we niet thuis zijn speel je duidelijk met de werkelijkheid en de verbeelding: de overleden asielzoeker is aan het woord, en die overledene praat ook met zijn zoon, via e-mails.
‘De verbeelding is altijd onderdeel geweest van al mijn werk. Door de verbeelding probeer ik de werkelijkheid vorm te geven of zelfs te verliezen. Ik ben altijd met dat element bezig, ook in mijn nieuwe roman is dit heel concreet aanwezig. Ik concentreer me nu op de jaren twintig, waarin de oudere zussen van mijn oma voor het eerst naar Nederland toe zijn gegaan. Toen ik in de research van haar achtergrond dook, kwam ik erachter dat er een illegale abortuspraktijk was achter de sigarenzaak, waar mijn oma ook een tijdje heeft gewerkt. Tegelijkertijd kwam de broer van mijn oma terug van zijn dienst in het vreemdelingenlegioen in Algerije en Marokko. Ik ben heel geïnteresseerd in dat moment dat die broer en zus elkaar ontmoeten: hij komt uit die oorlogssituatie en zij moet hem in huis nemen. Hij zit natuurlijk vol oorlogstrauma, maar waant zich veilig in Nederland. Vervolgens zit het kwaad net achter die sigarenzaak waar hij wordt opgenomen. Dat is die paradox, die mij interesseert.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Laurie Branderhorst

Laurie Branderhorst (1988) studeerde Engels en de master Redacteur/Editor aan de UvA. Het liefst leest ze nieuwe literatuur en interviewt ze (jonge) schrijvers hierover. Ze ziet in Lood het vernieuwende platform om literaire nieuwsgierigheid bij anderen aan te moedigen, uit te wisselen en nieuwe verbindingen te leggen.

 

 

 

E-mail Laurie

Lees meer:

Hanya Yanagihara

Hanya Yanagihara bij BorderKitchen: ‘Ik wist dat mijn boek niet saai zou zijn’

Rosalinde Markus

‘Dit is je eerste bezoek aan Nederland, toch?’ vraagt interviewer Arjan Peters aan auteur Hanya Yanagihara. ‘Yes,’ antwoordt ze, ‘so don’t disappoint me.’ Het is druk in Theater aan het Spui bij het literaire programma van BorderKitchen. Iedereen is benieuwd naar de auteur achter de succesvolle roman A little life, in het Nederlands vertaald als Een klein leven.

De Jonge Schrijversavond

De Jonge Schrijversavond: een waardig afscheid

Margot de Sera

De Jonge Schrijversavond, de zevende en laatste editie van een serie energieke literaire avonden over jonge schrijvers. Het gemist, of gewoon even je geheugen opfrissen en nagenieten? Lees vooral met Lood mee.