Mohamed Magani over opgroeien in tijden van revolutie en schrijven tegen de vergetelheid

5 februari 2016

 

Gedurende december en januari was Algerijns schrijver en socioloog Mohamed Magani te gast in de schrijversflat van PEN Vlaanderen in Antwerpen. Poets, Playwrights, Editors, Essayists, Novelists’ (PEN) is een internationale auteursvereniging die zich inzet voor vrije meningsuiting, vrede en een verbetering van internationale verstandhoudingen. Magani is een van de oprichters van PEN Algerije. Hij schreef verschillende Franstalige romans, waaronder Un temps berlinois (2001), Le refuge des ruines (2002), Une guerre se meurt (2004), Scène de pêche en Algérie (2006), en die werden in meerdere talen vertaald. Daarnaast schreef hij ook een Engelse kortverhalenbundel getiteld Please Pardon Our Appearance Whilst We Redress the Window Display (2014). In 2003 was Magani al eens te gast geweest in Antwerpen, toen de aardbeving zijn huis onbewoonbaar maakte. Ik ontmoette hem in de schrijversflat voor een gesprek over zijn leven en werk.

Op welk punt in je leven ben je beginnen schrijven?

‘Ik was achtendertig. Voordien las ik vooral veel. Ik ben pas begonnen met schrijven toen ik daarmee gestopt ben, daarvoor was ik te veel door het leven en mijn studies in beslag genomen. Ik ben altijd een verwoede lezer geweest, maar heb op een gegeven moment een periode van zes à zeven jaar doorgemaakt waarin ik geen boek heb aangeraakt. Het is door het schrijven dat ik teruggekeerd ben naar de literatuur.’

 

En hoe ging dat in z’n werk? Heb je dit voorbereid in de zeven jaar literaire stilte?

‘Neen, al had ik wel ideeën. Ik dacht veel na over het schrijven en over mijn broer. Mijn eerste boek gaat eigenlijk over hem, hij stierf erg vroeg.’

 

En hij was een schrijver?

‘Ja, hij schreef, maar alles wat hij schreef is verdwenen. Op een gegeven moment werd het gevoel van verlies mij te veel. Hij en zijn verhalen mochten niet verdwijnen, ik ervoer het als mijn plicht om zijn werk voort te zetten. Ik heb soms het gevoel dat ik in zijn naam aan het schrijven ben, alsof hij me de woorden dicteert. Ik heb altijd heel dicht bij hem gestaan, al was ik dan tien jaar jonger. Op het moment dat hij stierf was hij 27. Hij las altijd ontzettend veel. Hij had ons kleine huis volgestouwd met boeken. Er lagen boeken op de meest onmogelijke plaatsen, onder het bed, op stoelen, enzovoort. Dat was het eerste beeld dat ik had van een persoonlijke bibliotheek: boeken overal behalve op planken.’

 

Hoewel je ouders niet konden lezen.

‘Nee, zij zijn als een gevolg van de kolonisatie nooit naar school geweest. Mijn broer was wel opgeleid, als een van de weinige mensen tijdens de kolonisatie. In 1958 beslisten de Fransen dat het een goed idee zou zijn de Algerijnen de mogelijkheid te geven naar school te gaan. Dit maakte deel uit van het ‘Plan Constantine’. Er werden Franse scholen geopend, maar niet veel jongeren gingen naar school. Op het moment dat ik naar school ging, waren het er al meer, maar toen was de oorlog al begonnen.’

 

Waren alle leerkrachten Frans?

‘Bijna allemaal, ik herinner mij maar twee Algerijnse leerkrachten. Het was eind jaren 50, begin jaren 60.’

 

Hoe was het om deze transitieperiode bewust mee te maken?

‘Ik heb daar zeer indringende herinneringen aan. Ik heb mensen voor mijn ogen vermoord zien worden. De oorlog was voor ons als kinderen zowel ver weg als zeer dichtbij. Onze families deden er alles aan om ons ervan af te schermen, omdat ze niet wilden dat wij in de problemen zouden komen. Tegelijkertijd was het heel dichtbij, door de aanwezigheid van de soldaten die door de straten patrouilleerden, zeker in het begin van de jaren 60. Je kon moeilijk doen alsof ze niet bestonden. Ik herinner me de keer dat ze bij ons thuis zijn binnengevallen.’

 

Was je familie actief in het verzet?

‘Ja, mijn broer en mijn vader, maar er werd niet over gepraat. Als ik eraan terugdenk, herken ik bepaalde dingen die ik op dat moment niet doorhad. Wat er echt op het spel stond, realiseerde ik mij pas een jaar voor de onafhankelijkheid. Op dat moment was ik tien jaar. Toen er nieuws kwam over vrijheidsvechters en martelaars werden zij als helden ontvangen.’

 

Denk je dat je broer over deze politieke kwesties schreef?

‘Zeker. Hij stierf in 1967, vijf jaar na de onafhankelijkheid. Hij schreef kritisch over de revolutie en de desillusie van de onafhankelijkheid. Ik hoorde hem schrijven op zijn typemachine. Tot op de dag van vandaag zit dat geluid in mijn hoofd. Mijn broer had tuberculose aan beide longen. De kolonisten hadden hem na zijn middelbare school werk aangeboden in de ambtenarij, omdat hij zeer goed Frans sprak. Hij was de eerste Algerijn die in het gemeentehuis mocht werken. De collega met wie hij het kantoor deelde had tuberculose en zo heeft hij het opgedaan. Destijds was tuberculose nog een erg groot probleem.’

 

Heb je werk van hem gelezen? Sprak hij daarover?

‘Ik heb enkele dingen gezien. Hij spendeerde veel tijd in zijn kamer en verbood ons naar binnen te komen, omdat hij wist hoe ernstig zijn ziekte was. Hij wou ons beschermen. Niemand mocht zijn kamer betreden, zelfs mijn ouders niet. Hij kende de risico’s. Als ik hem na de onafhankelijkheid de krant bracht opende hij de deur en vroeg me de krant naar binnen te gooien. Hij wou ons niet aanraken. Het heeft gewerkt, niemand van de familie is besmet geraakt.’

 

De enige herinnering die je hebt aan je broer is zijn onzichtbare aanwezigheid en het geluid van zijn typemachine.

‘Het klonk als muziek in mijn horen. Ik ging vaak stiekem aan zijn deur staan. Wanneer hij dat hoorde, riep hij luid dat ik weg moest gaan.’

 

Hij had dus geen sociaal contact in die laatste jaren?

‘Hij trok zich terug als gevolg van zijn ziekte. Hij ging zelden naar buiten, op een zeker punt zelfs helemaal niet meer, tot hij naar het ziekenhuis werd gebracht en stierf. Na zijn dood heb ik er alles aan gedaan om zijn typemachine te vinden, die spoorloos verdwenen was. Zijn teksten zijn verbrand, om de infectie niet te verspreiden.’

 

Dus je hebt nooit echt geweten wat hij geschreven heeft?

‘Ik had een zeer vaag idee. Al zijn werk is verbrand om besmettingsgevaar te vermijden.’

 

Schreef hij ook in het Arabisch?

‘Nee, enkel Frans. Mijn broer en ik hebben onderwijs gekregen in het Frans. Ik heb mijzelf Arabisch moeten leren om aan de universiteit les te kunnen geven. Toen mijn generatie in de schoolbanken zat werd het Algerijns nog officieel als een vreemde taal beschouwd. Dit was in de wet bepaald in 1920. Thuis spraken we Arabisch, maar we hebben niet geleerd dit te schrijven. Ik behoor tot de laatste generatie die onderwijs in het Frans heeft gekregen, vanaf de onafhankelijkheid was dit in het Arabisch.’

 

Hoe was het voor jou en je broer om de literatuur te moeten ontdekken in de taal van de bezetter in plaats van in je moedertaal?

‘Het was erg frustrerend, maar we hadden geen keuze. Er waren ook geen boeken in het Arabisch. Vooral na de onafhankelijk was dit problematisch. Alle leerkrachten konden Frans lezen en schrijven, maar Arabisch niet en moesten zich dus collectief omscholen.’

 

Daar hoorde je zelf ook bij, als docent.

‘Inderdaad. Ik ben op vroege leeftijd begonnen met lesgeven aan een college in een klein dorpje en heb tegelijkertijd sociologie gestudeerd. Vervolgens gaf ik les aan een Lycée en kreeg ik een beurs voor een postgraduaat in Londen. Later werd ik docent aan de Universiteit van Algiers. Ik doceer onderzoeksmethodes en veldwerk.’

 

Je schrijft veel over het belang van formele innovatie. Andere domeinen betrekken kan hier een middel toe zijn. Hoe beïnvloedt de sociologie je schrijven?

‘Het heeft een zeer belangrijke invloed. Mijn laatste twee romans Rue des perplexes [2013] en Quand passent les âmes errantes [2015] vormen een tweeluik en zijn zeer sterk geïnspireerd door de sociologie. Toen ik het eerste deel schreef had ik nog geen tweede deel in gedachten. Ik wou het bij deze ene stem laten, maar na ongeveer een derde van het boek realiseerde ik mij dat de verteller een observator is. Ik leer mijn studenten dat er in de sociologie twee perspectieven belangrijk zijn, die van de observator en die van de deelnemer. Een socioloog bevindt zich altijd ergens tussen deze twee polen omdat hij moet aanvaard worden door het veld. Daardoor besloot ik het verhaal verder uit te werken in een tweede boek dat geschreven is uit het perspectief van een deelnemer. Ik gebruik vormelijk elementen van de sociologie. Het is zeer waardevol deze disciplines in elkaar over te laten gaan. Dit dubbel perspectief gebruikte ik voor het eerst in Esthétique du boucher [1990], een schets van een generatie vanuit het perspectief van een quasi-vegetarische slager. Een van de belangrijkste kwesties van de sociologie is de vraag wat de motor vormt voor sociale verandering. Zijn het individuen of is het dankzij het systeem? Dit idee vormt de achtergrond voor Esthétique du boucher. Een deel belicht de samenleving, het andere de mensen die daar deel van uitmaken. Het is mijn meest complete en succesvolle roman.

Drie of vier maanden na de publicatie van de Italiaanse vertaling van Esthétique du boucher kreeg ik een uitnodiging van de voorzitter van de vereniging van Italiaanse slagers. Ik ging naar Italië en werd opgewacht door hele menigtes van slagers die stonden te wachten met mijn boek in hun handen, hun nieuwe bijbel. Het was ongelooflijk. Het bleek een jaarlijkse internationale bijeenkomst te zijn ter ere van de patroonheilige van de slagers, ene Saint Jérôme. Sindsdien noemen ze me in Algerije Saint Mohamed, patroonheilige van de Algerijnse slagers. Ik heb van 9.00 uur ‘s morgens tot 17.00 uur ’s avonds met slagers gepraat. De televisie was ook aanwezig en ze vroegen mij waarom ik gekozen had voor een slager als protagonist. Ik hoorde mezelf heel clichématig antwoorden: ‘Om de mens in de slager te tonen in plaats van de slager in de mens.’ De slagers applaudisseerden enthousiast. Toen ik later met een van de journalisten apart een gesprek had, zei ik dat de werkelijke reden was dat ik het verhaal wou vertellen door middel van een onbekende stem in de literatuur, iemand die zelden aan bod komt. Ik wou afstand van het onderwerp en ging daarvoor op zoek naar een nieuwe en tot dan toe ongehoorde stem.

Kun je je voorstellen hoe vreemd het was die menigtes te zien? Ik hield lezingen in slagerijen achter de toonbanken met het vlees. Ik heb slagers zien huilen. Niet veel later werd ik ook benaderd door de voorzitter van de Nationale Bibliotheek van Luxemburg. Ze hadden twee jaar eerder een colloquium over brood en zouden de volgende houden over vlees. Van de ene dag op de andere werd ik de specialist van de slagers. Het boek werd ook vertaald naar het Duits, daar deed zich een merkwaardig probleem voor. Ze dachten dat ik een slager was.’

 

Op zich het mooiste compliment dat een schrijver kan krijgen.

In Salzburg sprak ik met een journaliste die mij aanraadde om naar Chicago te gaan, omdat daar veel slagers waren met psychologische problemen. Daar werd ik dus van woordvoerder van de slagers gepromoveerd naar therapeut. Ik had nooit verwacht dat dit mij zou overkomen naar aanleiding van een boek.’

 

De sociologie beïnvloedt je schrijven. Werkt de invloed ook in de andere richting? Beïnvloedt het schrijven je lesgeven of onderzoek?

‘Ja, ik verwijs veel naar literatuur in de les. Ik doceer veldwerk, met een specifieke focus op kwalitatief onderzoek. Hierin is vooral de nabijheid van de observanten belangrijk, je moet in het veld staan. Ik ben ervan overtuigd dat er veel overeenkomsten zijn tussen kwalitatief onderzoek en literatuur. Er is ook een sterk verband met onderzoeksjournalistiek. Daarnaast probeer ik mijn studenten het belang van creatieve vrijheid uit te leggen, dit is zowel in de literatuur als in academisch onderzoek van groot belang.

 

Is dit gelinkt aan je engagement voor PEN? Creatieve vrijheid en persvrijheid zijn nauw verbonden.

‘Inderdaad, dit is een van de redenen waarom we destijds PEN Algerije hebben opgericht in de verschrikkelijke jaren 90. Ik moet wel zeggen dat ik zelf als schrijver de censuur niet al te hard gemerkt heb. Misschien was er sprake van zelfcensuur, maar ik ben mij daar nooit echt van bewust geweest.’

 

Komt dat omdat je fictie schreef? Was het moeilijker voor journalisten?

‘Ja, dat denk ik wel. Er zijn zeker kwesties die in mijn land niet besproken kunnen worden. Het milieu bijvoorbeeld. Het gaat niet alleen om olie, ook in het Noorden zijn er problemen. Er zijn te veel fabrieken, die bovendien niet de juiste luchtzuiveringssystemen hebben. Vruchtbaar land wordt niet voor langer landbouw gebruikt. Bossen worden vernield. Mensen zijn compleet onverschillig, het vreet de samenleving aan. Ook corruptie blijft een groot taboe.’

 

Heeft u daar een verklaring voor?

‘Een van de belangrijkste gevolgen van de verschrikkelijke jaren 90 is de afwezigheid van de staat. Mensen beginnen te denken dat ze kunnen doen wat ze willen. Terrorisme en sociale problemen floreren in een zwakke staat.’

 

Zie je dit in de toekomst veranderen? Huidig president Bouteflika is niet jong meer. Hoe zal het politieke landschap er na zijn ambtstermijn uitzien?

‘Er heerst een felle strijd om zijn opvolging. Verkiezingen zullen volgen, maar we hebben een radicaal nieuw systeem nodig. Bouteflika is een verkozen dictator. Democratische verkiezingenzijn een noodzaak, waarbij de stemmen niet automatisch gaan naar zij die hebben deelgenomen in de onafhankelijkheidsstrijd. We hebben ook jongere mensen nodig. Nu is een goed moment. Het beste wat Bouteflika kan doen is aftreden en een geweldloze overgang mogelijk maken.’

 

Hoe is de persvrijheid op dit moment?

‘Het is op dit moment relatief vrij. De kranten schrijven wat ze willen. Er zijn zowel media van de staat als onafhankelijke. Journalisten houden geen blad voor de mond. Ik vind persoonlijk zelfs dat ze daarin veel te ver gaan. De karikaturen zijn soms echt afschuwelijk. Ze hebben geen respect, noch voor de levenden, noch voor de doden.’

 

Er is dus een groot verschil tussen de situatie binnen en buiten Algerije. Journalisten werden tegengewerkt door de staat, maar kregen internationale steun, terwijl schrijvers relatief vrij waren, maar geen steun kregen.

‘PEN Algerije maakte het mogelijk voor schrijvers om literaire activiteiten in het buitenland te bezoeken. En ook wij waren niet volledig vrij. We hebben meerdere bedreigingen gehad en ik ben door het ministerie op een zwarte lijst van mogelijke terroristen gezet. Ik moest het land verlaten. Ik ben vertrokken in 1995 en heb vervolgens vier jaar in Berlijn gewoond en een jaar in Amsterdam. In 2000 keerde ik terug naar Algerije, toen het rustiger geworden was.

Daarnaast worden we administratief tegengewerkt; de autoriteiten zijn zeer sluw. Ze weigeren ons een officiële registratie te geven. Ze zijn onverschillig wat onze activiteiten betreft, maar zonder de registratie zijn we nergens. Het is een bewuste politieke daad. We hebben hen duidelijk gemaakt dat we een apolitieke organisatie zijn, maar dit baatte niet. Tot op de dag van vandaag zijn we niet geregistreerd. Dit houdt bijvoorbeeld in dat we geen bankrekening kunnen openen. We hebben geen fondsen of vergaderzalen ter beschikking, maar we blijven actief.

Dit jaar stop ik met lesgeven, om mij volledig aan het schrijven te kunnen wijden. Ik heb dan iets minder dan dertig jaar gedoceerd. Het is goed geweest. Ik zou graag terug lessen gaan volgen. Schrijven en studeren, dat lijkt me ideaal.’

 

Beeld: Sven Peeters

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mara Matthyssens

Mara Matthyssens (1991) studeerde filosofie en literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Gent. Ze  bericht vanuit België over ontwikkelingen in de hedendaagse literatuur en houdt ons via de Vlaamse Literaire Agenda op de hoogte van literaire evenementen in Vlaanderen.

 

 

 

 

E-mail Mara

Lees meer:

Hanya Yanagihara

Hanya Yanagihara bij BorderKitchen: ‘Ik wist dat mijn boek niet saai zou zijn’

Rosalinde Markus

‘Dit is je eerste bezoek aan Nederland, toch?’ vraagt interviewer Arjan Peters aan auteur Hanya Yanagihara. ‘Yes,’ antwoordt ze, ‘so don’t disappoint me.’ Het is druk in Theater aan het Spui bij het literaire programma van BorderKitchen. Iedereen is benieuwd naar de auteur achter de succesvolle roman A little life, in het Nederlands vertaald als Een klein leven.

De Jonge Schrijversavond

De Jonge Schrijversavond: een waardig afscheid

Margot de Sera

De Jonge Schrijversavond, de zevende en laatste editie van een serie energieke literaire avonden over jonge schrijvers. Het gemist, of gewoon even je geheugen opfrissen en nagenieten? Lees vooral met Lood mee.