Ineke Riem: ‘Poëzie was mijn eerste liefde’

21 juli 2015

foto jan ter heide (2)Ineke Riem (1980) bracht haar jeugd door op de Zuid-Hollandse eilanden, studeerde Nederlands in Groningen en Londen en een jaar Beeld en Taal aan de Rietveld Academie in Amsterdam. Ze werkte zes jaar als docent Nederlands en gaf poëzieworkshops aan kinderen en jongeren. In de tijd dat ze lesgaf, schreef ze ook haar veel bekroonde debuutroman Zeven pogingen om een geliefde te wekken, bekroond met de Bronzen Uil en de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Voor een hoofdstuk dat eerder werd gepubliceerd in De Gids ontving ze de Nieuw Proza Prijs 2012. Onlangs verscheen haar poëziedebuut Alle zeeën zijn geduldig.

De vijver leeggevist

Hoe begon je schrijfcarrière?
‘Doordat ik lesgaf heb ik me enorm ontwikkeld; ik werd steeds sterker, kwam steeds meer voor mezelf op tegenover die klassen onwelwillende pubers. Dat zelfvertrouwen heeft mij uiteindelijk ook geholpen in mijn schrijverschap, en ik sta nu met gemak voor een groep voor te dragen. Toen ik bezig was met de eerste versie van mijn roman, merkte ik dat ik niet meer kon schrijven naast mijn werk als leraar. Ik had meer tijd nodig om echt helemaal in het verhaal te duiken. Uiteindelijk koos ik ervoor om alleen maar te gaan schrijven. Het is veel fijner, maar je móet natuurlijk ook nu. Het werken in de kunsten is een heel andere manier van werken; je hebt gewoon dagen dat er niks uitkomt, dan voel je je heel erg loos, maar ze zijn nuttig. Blijkbaar is het nodig in dat creatieve proces dat je ook een beetje lummelt.’

Hoe werkt je schrijfproces?
‘Ik ben ’s ochtends het helderste, dan heb ik de meeste energie om te schrijven. Na een hele dag heb ik niet meer de creativiteit of geesteskracht. In het weekend mag ik niet werken van mezelf. Eerst schreef ik altijd ’s avonds en in het weekend, totdat ik vastliep in het boek. Ik ontdekte toen dat het kwam doordat ik nooit leuke dingen deed of tot rust kwam, dus ik had de hele creatieve vijver leeggevist. Halverwege het boek moest ik dat hele verhaal loslaten en is het vervolgens een heel ander boek geworden. Daardoor ben ik heel streng voor mezelf, dat ik verplicht ook andere dingen moet doen.’

9789029586221_cvrWaar vind jij je inspiratie?
‘Ingevingen gebruik ik veel, maar die moeten wel groeien. Ik werk niet heel bewust, dus bouwen aan mijn roman zou ik het niet noemen. Er is wel een soort raamwerk, maar dat is niet iets wat ik heb verzonnen. Dat is iets waar ik een tijdje mee leef, en waar ik ideeën over noteer, totdat het een beetje uitkristalliseert. Pas als ik die weg dan in mijn hoofd heb, ga ik schrijven. Voor mijn debuutroman had ik al drie personages uit het verhaal waarin ik vast was gelopen, en bijna alle andere personages kwamen met een idee, een inval in mijn hoofd. Al schrijvende krijgt een karakter meer vorm.’

‘Bij Neeltje, die oude vrouw uit Zeven pogingen om een geliefde te wekken, ging het anders. Ik las een column van een psycholoog die een brief had gekregen van een oude dame, een jaar of tachtig, die vertelde dat ze ooit verliefd was op haar collega. De liefde was wederzijds, maar ze hadden er allebei nooit wat mee gedaan. En nu, jaren later, had ze daar nog altijd spijt van. Ik vond het op latere leeftijd spijt hebben van een mislukte liefde veertig jaar geleden zo’n mooi gegeven. En toen was die stem van de verbitterde oude vrouw Neeltje er ook ineens. Dat is heel leuk aan schrijven, daar word ik heel vrolijk van.’

‘Ik gebruik ook veel uit de wereld in mijn werk, ik hou van geschiedenis en er komt veel op je pad als je aan het schrijven bent. Bijvoorbeeld boeken tegenkomen die een raakvlak hebben met het onderwerp waar je mee bezig bent. Ik heb ooit een kort verhaal geschreven voor De Gids, dat ging over de Pathé-baby: één van de eerste filmprojectieapparaten in de jaren twintig die mensen thuis gebruikten om filmpjes te kijken. Het ging over een meisje die terugverlangde naar de grote stad, en het leek me leuk om haar oude filmpjes te laten kijken, want ik hou van ouderwetse apparatuur. Ik stuitte op het verhaal van een professor die in Frankrijk een oude filmprojector vond met achthonderd oude filmpjes, die hij allemaal digitaliseerde. Dus er bestaat een geweldige website met allemaal oude filmpjes over New York, Parijs in die tijd. Daar raakte ik meteen geïnspireerd door.’

Een wonderlijke speurtocht

Wat vind je belangrijk in je eigen werk?
‘Een voorwaarde voor iets maken wat écht mooi is, is dat het jezelf écht raakt. Dat vind ik belangrijk. Ik heb nogal hoge idealen over de kunst en literatuur. Het moet iets heel bijzonders en moois zijn, er moet een echte urgentie achter zitten. Je kunt ook vastlopen in die hoge idealen, dat gebeurt mij regelmatig. Dan moet ik dat toch loslaten, maar ik kom er later vaak achter dat die belangrijke thema’s vanzelf terugkomen op papier. Ik zie zelf een duidelijk verschil tussen mijn roman en gedichten: mijn roman is veel speelser, lichter en luchtiger. Bij proza schrijven heb ik plezier in het vinden van de verteller en mooie zinnen maken. De grap is juist dat daardoor veel moeilijkere dingen vanuit mezelf makkelijker naar boven kunnen komen. Ik zie schrijven helemaal niet als therapie, maar het vertelt me wel veel over mezelf. Het is een wonderlijke speurtocht door je eigen hoofd.’

Is het anders om poëzie te schrijven?
‘Ja, een gedicht is op een bepaalde manier minder onzeker. Bij een roman heb je die lange lijnen waar je mee bezig bent en is het vaak onzeker welke kant het op gaat. Het is iedere keer zoeken. Bij een gedicht is een eerste versie meteen vrij duidelijk. Vervolgens ga ik er urenlang aan prutsen. Die angst die ik wel heb bij proza schrijven, is daar niet bij.’

Vind je jezelf meer dichter of meer romanschrijver?
‘Poëzie was echt mijn eerste liefde: ik schrijf vanaf mijn zestiende gedichten. Ik ging Nederlands studeren omdat ik dichter wilde worden. Ik probeerde mijn gedichten gepubliceerd te krijgen, maar ze waren toen nog zweverig en zoetig. Het moest nog een beetje aarden. Dat jaar op de Rietveld heb ik poëzie geschreven, toen ik vastliep in die studie. Ik was best gedesillusioneerd en stopte met poëzie schrijven. Op die opleiding worden al je gedichten met de hele klas besproken, dus dat is best heftig. Ik had er helemaal geen ervaring mee, dus na een jaar was het hele plezier in het schrijven weg. Toen heb ik me een paar jaar gestort op fotografie, maar op een gegeven moment begon het weer een beetje te borrelen en ben ik een verhaal gaan schrijven over mijn reis naar Sri Lanka. Ik stuurde het op naar een literair tijdschrift: ze gingen het niet publiceren, maar waren wel redelijk enthousiast. Blijkbaar zat er wel iets in. Eigenlijk schrijf ik dus pas proza sinds mijn drieëntwintigste.’

Innerlijk weerbericht

Alle zeeenWanneer ben je weer poëzie gaan schrijven voor je dichtbundel?
‘Pas toen ik achterin de twintig was, toen ik ook poëziedocent was, ben ik het af en toe weer gaan uitproberen. Ik had iets meer afstand en kon op een nieuwe manier schrijven. Meer vanuit het spelen met woorden, minder vanuit het dichter moeten worden of een boodschap overbrengen. Deze dichtbundel is wat dat betreft de grootste verrassing voor mezelf.’

Hoe kwam je dichtbundel tot stand?
‘Toen mijn roman uitkwam, viel ik een beetje in een zwart gat. Ik was drie jaar met het boek bezig, altijd aan het fantaseren over de personages en erover aan het dromen. Op een gegeven moment is het helemaal af en kun je er niks meer mee. Dus waar moet je dan over fantaseren? Er is ineens een leegte in je hoofd. Ik was best gehecht aan mijn personages, dus ik kon ze niet direct inwisselen voor een hele nieuwe set. Die leegte veroorzaakte een somberte: als je een groot project hebt afgerond waar je alles van jezelf hebt ingestopt, kun je verzakken in depressieachtige staat. Er zat uiteindelijk een half jaar tussen de publicatie van mijn debuut en dat ik de Bronzen Uil won. Ik verwachtte heel veel, maar er kwam eigenlijk niks.’

Hoe ging je daar toen mee om?
‘Als je zo met je ziel onder je arm rondloopt, geeft dat kans tot introspectie. Ik ging heel veel dagboekschrijven. Dat doe ik nog steeds elke dag. Niet voor anderen om te lezen, maar meer als een soort innerlijk weerbericht. En vanuit die dagboeken ontstonden gedichten over terugkijken. Ik was die gedichten aan het schrijven met de gedachte dat ik er over tien jaar iets mee zou kunnen. Ik had mijn redacteur verteld dat ik gedichten schreef en hij bleek enthousiast. Toen was er best snel een bundel. Uiteindelijk gingen mijn gedichten allemaal over persoonlijke groei. Van tevoren had ik geen thema in gedachten. Die thematiek van water en zee kwamen daarin als vanzelf naar boven. In die zin leer je heel veel over jezelf. Dichten is daarin wel een stuk enger, omdat het veel persoonlijker is dan proza.’

Ik weet niet wie dat meisje was

Hoe ontstond het gedicht ‘Droomsymbolen’?
‘Dat gedicht is een soort compilatie van alle grote, bijzondere dromen die ik heb gehad vanaf mijn zevenentwintigste. Vanaf dat jaar had ik veel bijzondere of gekke dromen. Ik was ook met mijn dromen bezig, ik dacht erover na wat het kon betekenen. Het is best een belangrijk deel van mijn leven, dus als ik dromen heb worden ze van alle kanten uitgepluisd. Van voor mijn zevenentwintigste heb ik niet heel veel dromenherinneringen. Voor mijn idee leefde ik veel meer in een soort cocon, zwevend en zoekende naar wat mijn weg was. Als ik terugkijk denk ik wel eens, ik weet niet wie dat meisje was, maar ik was het niet. De afgelopen zeven jaar ben ik veel meer mijzelf geworden.’

Ben je al bezig met een volgend werk?
‘Ik werk nu aan mijn volgende roman en dat is nog een beetje zoeken. Het verhaal is geïnspireerd op die periode nadat mijn eerste boek uitkwam, toen ik een stormachtige persoonlijke groei doormaakte, heel vermoeid was en niets meer kon. Het gaat over een promovendus die dat ook overkomt, die worstelt met zijn proefschrift. Toen ik Nederlands studeerde wilde ik heel graag verder in de wetenschap. Ik wilde heel graag promoveren, dacht dat ik in de wieg was gelegd voor de wetenschap, maar mijn onderzoeksvoorstellen werden alsmaar afgewezen. Jaren later ontdekte ik dat het helemaal niet mijn weg was geweest. Het gaat over hoe moeilijk het is om jezelf te kennen. Het duurt soms wel jaren voordat je inzicht hebt in wie je bent, wat je talenten zijn en wat eigenlijk je weg is.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Laurie Branderhorst

Laurie Branderhorst (1988) studeerde Engels en de master Redacteur/Editor aan de UvA. Het liefst leest ze nieuwe literatuur en interviewt ze (jonge) schrijvers hierover. Ze ziet in Lood het vernieuwende platform om literaire nieuwsgierigheid bij anderen aan te moedigen, uit te wisselen en nieuwe verbindingen te leggen.

 

 

 

E-mail Laurie

Lees meer:

Hanya Yanagihara

Hanya Yanagihara bij BorderKitchen: ‘Ik wist dat mijn boek niet saai zou zijn’

Rosalinde Markus

‘Dit is je eerste bezoek aan Nederland, toch?’ vraagt interviewer Arjan Peters aan auteur Hanya Yanagihara. ‘Yes,’ antwoordt ze, ‘so don’t disappoint me.’ Het is druk in Theater aan het Spui bij het literaire programma van BorderKitchen. Iedereen is benieuwd naar de auteur achter de succesvolle roman A little life, in het Nederlands vertaald als Een klein leven.

De Jonge Schrijversavond

De Jonge Schrijversavond: een waardig afscheid

Margot de Sera

De Jonge Schrijversavond, de zevende en laatste editie van een serie energieke literaire avonden over jonge schrijvers. Het gemist, of gewoon even je geheugen opfrissen en nagenieten? Lees vooral met Lood mee.