Het Boekje Open: Pauline Slot

16 augustus 2015

55c1c_9789029539296_cvrIn Het Boekje Open geven auteurs een kijkje in het brein van een schrijver. Pauline Slot studeerde Nederlands en promoveerde ook op dat vakgebied. Ze debuteerde met Zuiderkruis, het best verkochte debuut van dat jaar, en genomineerd voor de Debuutprijs en de Vrouw & Kultuurprijs. In haar tweede roman Blauwbaard, en derde roman Tegenpool spelen reizen een grote rol. In 2012 kwam Soerabaja uit, een tweede historische roman gebaseerd op het leven van Paulines oudtante en haar gezin in Indië, die op de longlist van de Opzij-literatuurprijs kwam. Onlangs verscheen Museumbezoeking, over de hoogte- en dieptepunten van modern museumbezoek. Pauline vertelt over haar schrijfgewoontes, toekomstplannen, en do’s en don’ts tijdens het schrijven: ‘Schrijven is alsof je probeert een radiostation op te vangen dat steeds op een net iets andere frequentie uitzendt. Regelmaat helpt bij het vinden van de juiste zender.’

Kun je rondkomen van je schrijven, of heb je er nog een baan naast?
‘Ik ben net terug van Limnisa in Griekenland, waar ik twee keer per jaar mensen begeleid die daar op schrijfretraite komen, en ik doceer ook op andere plekken creative writing. Volgende week vlieg ik naar Aruba om vijf dagen zakelijk schrijven te doceren, want ik houd ook nog steeds van tekstanalyse en argumentatie, mijn oude vak. En zakelijk en creatief schrijven zijn misschien wel meer aan elkaar verwant dan vaak wordt gedacht. Natuurlijk is het altijd zoeken naar het juiste evenwicht tussen schrijven en de wereld in gaan voor die andere activiteiten, en er ontstaat nooit een rusttoestand. Maar ik heb geleerd dat als iets positiefs te zien. Het houdt je alert en levendig.’

Wat was je geworden als je geen schrijver was? Heb jij een gemiste of gedroomde carrière?
‘Voordat ik op de middelbare school wiskunde kreeg, wilde ik sterrenkundige worden. Toen maakte ik mijn eerste proefwerken en was duidelijk dat astronomie niet mijn vak zou zijn. Ik had ook best Egyptoloog willen worden, dat was een andere liefde uit mijn jeugd. Wat die vakken gemeen hebben is dat ze me in contact brachten met de grote context van ons bestaan. Dat vind ik troostrijk: hoe wonderlijk is het allemaal, en wat een buitenkans dat ik er even ben om er iets van mee te maken! Mijn ontdekking van de evolutietheorie was ook zo’n hoogtepunt. Later heb ik veel gelezen over psychologie, ook al zo’n mooi vak. Zo mooi, dat ik recent in België een opleiding Narratieve Therapie heb gevolgd. Dat begin ik nu in de praktijk te brengen. Voor de rest kan ik gelukkig lezen over wat ik zelf niet ben gaan doen.’

Laat je je werk lezen aan iemand voordat het af is?
‘Ik heb niet veel behoefte aan overleg tijdens het schrijfproces. Ik weet waarom ik bepaalde keuzes maak, en ik ben vooral benieuwd naar het effect van het werk als geheel. Daarvoor moet het dan wel af zijn.’

Wie is de Eerste Lezer van je werk?
‘Een goede vriendin leest vaak het voltooide manuscript, en geeft me nuttige feedback. Maar het is vooral een fijn idee dat iemand weet waar ik aan heb gewerkt. De echte beoordeling gebeurt natuurlijk bij de Arbeiderspers, bij mijn redacteur. Iemand losjes iets vertellen over de roman waar je aan werkt vind ik een crime; dan klinkt alles al snel plat en zinloos. Met non-fictie is dat anders. Toen ik mensen vertelde over Museumbezoeking, ontstonden er meteen geanimeerde gesprekken: iedereen begon herinneringen op te halen en meningen te spuien. Heel nuttig ook nog, ik heb daar veel aan gehad.’

Waar schrijf je? Heb je een vaste tijd en/of plaats?
‘Als niet-ochtendmens begin ik de redelijk-vroege-ochtend steeds meer te waarderen als tijd om te schrijven. Het is dan verstild als in de avond, maar je geest is nog vrij van de indrukken van de dag. Vaak schrijf ik thuis, maar ik ga ook graag naar onze boerderij in de Eifel. Daar heerst zoveel rust, dat ik de kunstgreep van de ochtend niet nodig heb. Overigens kan ik prima in gezelschap schrijven. Alleen zijn ervaar ik vaak als een aanwezigheid, iets waar je je toe moet verhouden. Dat kan ik, maar zet me in een vliegtuig of een café en concentreren gaat als vanzelf.’

Wat heb jij absoluut nodig om te kunnen schrijven? Heb je bepaalde ‘schrijfrituelen’?
‘Het is alsof je probeert een radiostation op te vangen dat steeds op een net iets andere frequentie uitzendt. Regelmaat helpt. De geest raakt eraan gewend om op vaste tijdstippen de inspanning van het schrijven te leveren, en vindt dan snel de juiste zender.’

Hoe zou je je eigen schrijfstijl beschrijven?
‘Toen ik nog aan de universiteit werkte deed ik stilistisch onderzoek. Het zou interessant zijn je eigen werk aan een kwantitatieve analyse te onderwerpen. Al heeft dat ook een risico: je wilt je er niet al te bewust van zijn. In Small World van David Lodge, een satirische roman over het universitaire congrescircuit, raakt een wetenschapper geblokkeerd als een statistische analyse uitwijst dat hij steeds een bepaald woord gebruikt. Ik heb wel een idee van mijn stijlvoorkeuren, maar ze zijn moeilijk in woorden te vangen. Cijfers zouden daarover waarschijnlijk duidelijker taal spreken. Ik weet wel dat ik ervan houd om beelden en landschappen op te roepen in mijn werk, en van ritme in de zinnen. Veel van het schaafwerk dat ik doe heeft te maken met dat laatste. Zelfs nu net hield ik daar rekening mee: ik schreef bewust niet ‘heeft met dat laatste te maken’, want dat loopt voor mijn gevoel minder lekker.’

Wanneer wist je: ik ben schrijver?
Ik vond mezelf schrijver toen mijn eerste roman, Zuiderkruis, was verschenen, in 1999, en ik op dat moment ook al ver was met het schrijven van mijn tweede. Dat er een volgend boek zou komen was belangrijk bij het voeren van die titel. Toch kan dat gevoel van identiteit ook fluctueren. Vergelijk het met een huwelijk: aan je formele status verandert niets, maar in de loop der tijd kun je je wel meer of minder verbonden voelen met het idee dat je getrouwd bent. Op dit moment ben ik weer heel gelukkig in mijn relatie, zou je kunnen zeggen: ik voel de drang om deze jaren te benutten, ik heb veel ideeën, en ik schrijf veel.

Op welke schrijver ben je wel eens jaloers?
‘Als je ongelukkig wilt worden, moet je je vergelijken met mensen die succesvoller zijn dan jezelf. Daar heeft Alain de Botton mooi over geschreven in Status Anxiety. Dat doe ik dus niet. Ik hecht eraan om met zo min mogelijk afgunst te leven. Bovendien heb ik geleerd dat wat er van buiten benijdenswaardig uitziet, dat niet per se is. Mijn jeugdidool Don McLean, de zanger, hoorde ik eens in een documentaire zeggen dat de wereld altijd meer weerstand biedt dan dat hij meegeeft. Er waren zoveel projecten die hij had willen doen die niet van de grond kwamen, zoveel vormen van tegenwerking. Aha, dacht ik, als zelfs iemand in zijn positie dat voelt, ondanks al die roem en rijkdom, dan hoort dat er dus bij. Het is goed om dat te beseffen.’

Welke schrijver zou jij wel willen zijn voor een dag?
‘Dat moet dan iemand zijn die enorm veel weet, zoals Steven Pinker. Of iemand die iets snapt wat voor mij te hoog gegrepen is, bijvoorbeeld in de astronomie. Wat me ook wel leuk lijkt: eens te leven in het hoofd van een schrijver die zichzelf echt geweldig vindt. Net zoals je van Boeddhisten verwacht dat ze geen ruzie zoeken en geen seksmaniakken zijn, zou je van schrijvers niet verwachten dat er zulke ego’s tussen zitten. Maar daar zijn er genoeg van. Romans worden in het gunstigste geval geschreven door het betere ik van de schrijver: het deel dat even afstand kan nemen, dat ons observeert. Natuurlijk heb ik zelf ook grootheidsgedachten, anders doe je al die moeite niet, maar ik probeer ze als breinafval te beschouwen. Hoe is het om jezelf volkomen serieus te nemen? Dat lijkt me een ervaring.’

Schrijf je met een bepaald doel? Heb je een missie in je schrijven?
‘Voor mij als lezer geldt dat ik graag contact ervaar met de geest van de schrijver. Juist dat is mooi: het leven mag dan zwaar en onrechtvaardig zijn, als we er af en toe met elkaar naar kunnen kijken, is dat al heel wat. Daarin zit misschien ook die egoluwte waar ik naar zoek. Ik hoop dat lezers van mijn boeken dat ongrijpbare contact ervaren met het beste deel van mij, dat voor een moment hier en een ogenblik daar kan kijken naar hoe het leven is.’

Heb je ooit spijt gehad van iets wat je geschreven hebt?
‘Alleen in de persoonlijke sfeer: een enkele tweet waarin ik meende iemand terecht te moeten wijzen, brieven met grieven, zulke dingen. Maar daar probeer ik mij verre van te houden. Ik bied tegenwoordig liever mijn excuses aan dan dat ik iemand ga zeggen wat hij in mijn ogen niet goed heeft gedaan. En als er iets is, kun je beter praten, meteen, dan schrijven. Zodra er in een relatie schriftelijk gecommuniceerd gaat worden, weet je dat het foute boel is: dan komt het opgespaarde zeer.’

Heb je in je achterhoofd een ‘Gedroomd Boek’: een boek dat je altijd nog zou willen schrijven?
‘Wat ik wil schrijven, dat schrijf ik. Een idee is het waard om mijn tijd aan te besteden als ik voel dat er iets voor mij op het spel staat, en de vorm me interesseert. Je kunt elke dag tien ideeën voor een roman hebben. Tien per uur kan ook. Maar ze moeten de kiesdrempel over, en daar is nogal wat voor nodig.

Wat kunnen we de komende tijd van je verwachten? Ben je bezig met een volgend boek en/of project?
‘Op 18 juni verschijnt Museumbezoeking, over de vraag waarom wij tegenwoordig en masse naar musea gaan. Het idee voor dat boek kwam toen ik speciaal naar Londen was gevlogen voor de tentoonstelling ‘A Bigger Picture’ van David Hockney. Het was prachtig, maar ook zo druk dat ik opeens getroffen werd door die vraag: wat doen we hier eigenlijk met zijn allen? Het is een heerlijke exploratie geweest, en het resultaat is een boek waarin ik die vraag van alle kanten bekijk, met mijn eigen ervaringen en die van anderen als uitgangspunt. Museumbezoeking is zo een wat lang uitgevallen commentaar in het gastenboek van Het Museum geworden. Intussen ben ik halverwege een roman, die volgend jaar kan verschijnen. Ik zei het al: mijn huwelijk met het schrijverschap zit in een gelukkige fase.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Laurie Branderhorst

Laurie Branderhorst (1988) studeerde Engels en de master Redacteur/Editor aan de UvA. Het liefst leest ze nieuwe literatuur en interviewt ze (jonge) schrijvers hierover. Ze ziet in Lood het vernieuwende platform om literaire nieuwsgierigheid bij anderen aan te moedigen, uit te wisselen en nieuwe verbindingen te leggen.

 

 

 

E-mail Laurie

Lees meer:

Hanya Yanagihara

Hanya Yanagihara bij BorderKitchen: ‘Ik wist dat mijn boek niet saai zou zijn’

Rosalinde Markus

‘Dit is je eerste bezoek aan Nederland, toch?’ vraagt interviewer Arjan Peters aan auteur Hanya Yanagihara. ‘Yes,’ antwoordt ze, ‘so don’t disappoint me.’ Het is druk in Theater aan het Spui bij het literaire programma van BorderKitchen. Iedereen is benieuwd naar de auteur achter de succesvolle roman A little life, in het Nederlands vertaald als Een klein leven.

De Jonge Schrijversavond

De Jonge Schrijversavond: een waardig afscheid

Margot de Sera

De Jonge Schrijversavond, de zevende en laatste editie van een serie energieke literaire avonden over jonge schrijvers. Het gemist, of gewoon even je geheugen opfrissen en nagenieten? Lees vooral met Lood mee.