< Terug

De pompoeneter: een scherpzinnige tragedie over karakterloosheid

3 februari 2016

‘‘Nou,’ zei ik, ‘ik zal het proberen. Ik zal proberen oprecht te zijn tegenover u, al denk ik eigenlijk dat u eerder geïnteresseerd bent in mijn onoprechtheid, als u begrijpt wat ik bedoel.’
De dokter glimlachte.’

Dit is de hoofdpersoon van De pompoeneter (Lebowski, 2016), een semi-autobiografische roman van Penelope Mortimer over een naamloze vrouw in Engeland in de jaren 60 die haar levensverhaal vertelt aan haar arts. Hij is ingeschakeld nadat ze een inzinking had in een winkelcentrum en inmiddels kan ze eigenlijk niet stoppen met huilen. Ze vertelt hem over haar ouders, haar drie ex-mannen en haar kinderen, hoewel nooit duidelijk wordt hoeveel ze er nou precies heeft – ‘een opmerkelijk aantal’, merkt de arts op – en slechts één wordt bij naam genoemd.

Het wordt duidelijk dat haar huidige echtgenoot Jake Armitage, een succesvolle scenarioschrijver, haar meerdere malen ontrouw is geweest. Met grote tegenzin moet ze de gebeurtenissen van het ‘echte leven’ de illusie van hun leven samen laten afbreken. Deze afkeer van de realiteit is (deels) te danken aan het feit dat ze het gevoel heeft dat er niks meer van haar overblijft wanneer ze haar aandacht van haar dagelijks leven moet verplaatsen naar zichzelf. Wie is ze eigenlijk? Waarom en waarvoor leeft ze? Waar komen deze depressieve gevoelens vandaan? De tragische onzekerheid over haar karakterloosheid is een van de dingen die ze met de arts bespreekt: ‘Ik begon te drinken omdat ik dacht dat ik een soort identiteit kon ontlenen aan het feit dat ik dronk: iedere keer als ik op een eenzame middag voor mezelf een cognacje inschonk, kon ik tegen mezelf zeggen: ‘Ik ben een vrouw die drinkt.’’

De pompoeneter kan voor de huidige lezer enerzijds een ‘tijdsdocument’ zijn van de jaren 60, toen er nog geen tweede feministische golf had plaatsgevonden en er beduidend minder (bekende) voorbeelden waren van werkende vrouwen waaruit moed geput kon worden; het kan worden afgedaan met een makkelijke ‘dat was toen’. Anderzijds blijven de keuzes die kunnen worden gemaakt tussen moederschap, werken, verscheidene teleurstellende echtgenoten – zeker met betrekking tot verschillende inkomens – nog steeds relevant. Daarbij is een depressie en het gebruik van medicatie een onderwerp dat inmiddels openlijker besproken wordt, maar tegelijkertijd nog lang niet stigmavrij.

Als ze uiteindelijk weggaat bij Jake, vergelijkt ze zichzelf met iemand die uit de gevangenis komt. Na een jarenlange opsluiting is functioneren in de ‘buitenwereld’ een overdonderende opgave. De enige manier waarop ze tot nog toe grip op het leven had was door het krijgen van kinderen. Met veel zelfinzicht voor een persoon met een gebrekkig karakter bespreekt ze de keuzes die ze heeft gemaakt en overdenkt ze de levensinvullingen, zoals een baan, die voor haar nooit een reële optie leken. Het lijkt erop alsof geen van haar echtgenoten haar ooit echt heeft willen leren kennen, waardoor er een bodemloosheid en eenzaamheid is ontstaan: ‘‘Ik weet niet wie ik ben, ik weet niet wat voor iemand ik ben, hoe kom ik te weten wat ik wil? Het enige wat ik weet, of ik nou goed ben of slecht, of ik een kreng ben of niet, of ik sterk ben of zwak, of ik verachtelijk ben of maar al te graag slachtoffer wil zijn – ik bedoel: of ik nou dik ben of dun, lang of kort, want dat wéét ik niet – ik wil gelúkkig zijn. Ik wil een manier zien te vinden om gelukkig te zijn, het kan me niet schelen hoe.’ Een schrijnende opmerking van een depressieve vrouw wier gevoelens maar nauwelijks serieus genomen worden door haar arts en echtgenoot, en misschien maar weinig hulp hoeft te verwachten om dit plan te realiseren:
‘‘U kunt intussen veel zelf doen, ik hoop dat u dat doet.’
‘Zoals?’
‘Wees om te beginnen aardig voor haar.’
‘Ik ben altijd aardig voor haar.’
‘Zegt u tegen haar… nou ja, u weet het wel. Zegt u tegen haar dat u van haar houdt en zo.’

Op een gegeven moment lijkt alsof in plaats van de arts de lezer wordt aangesproken door de hoofdpersoon. Is zij nu zo ver teruggetrokken in haar eigen verhaal dat ze niet meer weet waar ze is en aan wie ze wat vertelt? Bijna elk hoofdstuk in De pompoeneter begint met een nieuwe stijl, voornamelijk een variatie in formele en intieme toon en wisselingen tussen eerste en derde persoon; in het gunstigste geval is dit een weergave van de stemmingswisselingen van de hoofdpersoon en geen gebrek aan consistentie van de schrijver. Alledaagse scènes, (gejaagde) mijmeringen, worden afgewisseld met momenten van treffende en mooi geformuleerde inzichten. De onduidelijkheid en tegenstrijdigheid van het verhaal zorgen ervoor dat de hoofdpersoon nog lang als onopgeloste puzzel door het hoofd van de lezer zal blijven spoken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mady Beversluis

Mady Beversluis (1990) woont op dit moment in Ierland, waar ze een master Philosophy & Literature doet aan University College Dublin. Ze studeerde eerder Literatuurwetenschap en Engelse letterkunde in Amsterdam. Voor Lood schrijft ze een column en recensies over boeken die eigenlijk verplichte kost zouden moeten zijn onder een toekomstige literatuurdictatuur.

 

E-mail Mady

Lees meer:

Hanya Yanagihara

Hanya Yanagihara bij BorderKitchen: ‘Ik wist dat mijn boek niet saai zou zijn’

Rosalinde Markus

‘Dit is je eerste bezoek aan Nederland, toch?’ vraagt interviewer Arjan Peters aan auteur Hanya Yanagihara. ‘Yes,’ antwoordt ze, ‘so don’t disappoint me.’ Het is druk in Theater aan het Spui bij het literaire programma van BorderKitchen. Iedereen is benieuwd naar de auteur achter de succesvolle roman A little life, in het Nederlands vertaald als Een klein leven.

De Jonge Schrijversavond

De Jonge Schrijversavond: een waardig afscheid

Margot de Sera

De Jonge Schrijversavond, de zevende en laatste editie van een serie energieke literaire avonden over jonge schrijvers. Het gemist, of gewoon even je geheugen opfrissen en nagenieten? Lees vooral met Lood mee.